[Commentaar] In Amerikaans format nieuwe stijl verdringen onderonsjes het debat

Ana Marie Cox, commentator van The Guardian, waarschuwt de Republikeinse partij: stop met het toejuichen van kandidaten die doodzieke patiënten zonder verzekering laten sterven op straat, stop met het uitjouwen van een militair die homo is en daar openlijk voor uit wil komen en stop met het klappen voor de Koning van de Doodstraf, Rick Perry. Stop ermee, want het kost je punten en het schaadt het imago van de partij die na deze primaries een veel belangrijker strijd wacht – namelijk die om het Witte Huis.

Cox beschrijft de functie (of het disfunctioneren) van publiek bij debatten tussen kandidaten. Ze gillen en schreeuwen hun kandidaat moed in, maar zijn zelden een doorsnede van het politieke publiek dat gaat stemmen. Bezoekers van debatten, weet Cox, zijn overactieve burgers met een bovengemiddelde belangstelling voor het métier. En dan breekt soms extremisme door het oppervlak, zoals donderdagavond in Orlando. Erg? Uit onderzoek, weet Cox, blijkt dat gejoel van publiek het oordeel over de kandidaat bij het publiek thuis voor de buis, sterk beïnvloedt. Rick Santorum spon garen bij het boe-geroep uit het publiek toen Stephen Hill in zijn filmpje uit de kast kwam. Hill is militair in Irak – en homo.

Publiek in de zaal – doe dus maar niet, bepleit Cox. En daarmee gaat ze voorbij aan een veel radicalere verandering in het politieke debat: het publiek joelt en juicht niet alleen (dat doen ze al jaren), ze krijgen een steeds dominantere positie in het format van het debat zelf. En Orlando maakt school. Ook voor Nederland. Iedereen kon voor het GOP-debat van afgelopen donderdag een filmpje via YouTube insturen. Stephen Hill deed dat. Het is aan de kandidaat om daarop te reageren. U merkt het – langzaam verlaten we het debat waarbij kandidaten onderling met elkaar in woordenstrijd gaan en hebben we hun aandacht en focus verplaatst naar een voortdurend verantwoorden tegenover geselecteerde burgers. Hoe die selectie tot stand komt en wie dat doet, is een raadsel. Feit is dat Santorum aan Hill werd gekoppeld. En de rest (van de kandidaten en het publiek) minutenlang roerloos toekeek.

Sociale media particulariseren het politieke debat – het is geen debat, maar een gesprek tussen kandidaat en individuele burger. En uit dat gesprek moeten wij als toeschouwer een grotere gemene deler destilleren die óók iets over ons zegt. Dat lukt lang niet altijd. Liefst willen wij ook met die kandidaat in gesprek (niet: debat). Alleen dan weten we zeker hoe hij (of zij) over ons denkt. Dat lukt natuurlijk lang niet altijd. Dat frustreert. Door het debat te verkleinen tot een dialoog tussen twee mensen (in Orlando nog houterig, maar na Orlando allengs soepeler), verengen we ook de politiek tot een dialoog tussen twee mensen. En dan verliest de politiek haar essentie: het vreedzaam afwegen van collectieve en algemene waarden en normen.

De vraag van Stephen Hill over zijn seksualiteit in het Amerikaanse leger en Santorums reactie dat er in het leger sowieso geen plaats is voor seksualiteit, zegt iets over Hill, over Santorum en over de relatie tussen beiden. Ik kan me voorstellen dat Hill kandidaat Santorum homofoob vindt en er volgens Santorum voor Hill geen plaats in het leger is. Probleem: ik ben hetero, geen militair maar wel geïnteresseerd in homo-emancipatie in zo’n conservatieve institutie als het Amerikaanse leger. Dus kijk ik naar het één-tweetje, maar heb er natuurlijk helemaal niets aan.

Amerikaanse verkiezingen maken school. Ook in Nederland. Logisch. Ze hebben er in de States heel veel. Wij kunnen daar dus ook heel veel van leren. En dat doen we ook. Maar, hopelijk, niet van dit Google/FOX-experiment. Natuurlijk moet de politiek het publiek bedienen. Debatten hoeven niet saai te zijn. Maar bindt het publiek niet zo dicht op de politiek. Die politiek bestaat bij de gratie van een kloof – niet te diep, niet te breed, maar desalniettemin een kloof. Het onderonsje Hill-Santorum bewijst waarom: op nationale televisie hebben twee mannen, gezien hun achtergrond, hun zeer voorspelbare mening uitgewisseld. En behalve zij twee heeft niemand er iets van opgestoken. Tenzij u nog iet wist dat Hill homo is en Santorum die liever uit het leger weert. Maar als u dat als Amerikaanse Republikein nog niet wist, blijkt uit onderzoek, dan is de kans dat u een debat als deze voor de buis uitzit, uiterst klein. <<

Advertenties

Over Sebastiaan van der Lubben

Journalist Maters & Hermsen, docent Internetjournalistiek Universiteit Leiden, politicoloog en blogger

3 thoughts on “[Commentaar] In Amerikaans format nieuwe stijl verdringen onderonsjes het debat

  1. Kan de commentator van The Guardian zich niet beter met de modernisering van het House of Lords bezig houden, of met het feit dat een derde van de Britse jongeren in de steden opgroeit in huishoudens waar niemand via werk een inkomen verdient?

    Ik ben het wel eens met Santorum wanneer hij zegt dat seks geen plaats in het leger zou moeten hebben, en dat daar niet naar seksuele orientatie zou moeten worden gevraagd. Tegen die regeling werd maar weinig bezwaar gemaakt, ook niet door homoseksuelen. Wat zou het alternatief moeten zijn? Dat bij aanvang wordt gevraagd naar seksuele orientatie, zodat men homoseksuele legeronderdelen kan samenstellen? Speciale ambtenareneenheden, waar uitsluitend latino-ambtenaren worden aangenomen, een geheel zwarte accountantsdienst, of een puur katholieke ingenieursafdeling liggen dan eveneens voor de hand. Er zijn grondwettelijke bezwaren tegen zo’n beleid.

    Amerikaanse politici of leden van de uitvoerende macht worden op individuele basis gekozen. Daarvoor moeten ze een gevecht leveren, omdat er meestal meerdere kandidaten zijn. Amerikaanse wetgevers zijn uitsluitend verantwoording schuldig aan hun achterban, want die heeft hen kandidaat gesteld en gekozen. Anders dan in bijvoorbeeld Nederland gaat dat niet via een politieke partij die kandidatenlijsten opstelt, waarna men met een paar dozijn voorkeurstemmen lid van de Tweede Kamer kan worden. Eenieder kan zich in de U.S. uitgeven als aanhanger van een politieke stroming en een verkiezingscampagne beginnen. Met de partij heb je daarbij niets te maken. Die stelt na afloop van de campagne alleen vast dat partij-organisatie achter de overwinnaar van de voorverkiezingen staat. Je kunt in de U.S. geen lid van de Democratische of Republikeinse partij worden (wel van een aantal andere politieke partijen), zodat de mening van het partij-apparaat er maar weinig toe doet.

    Bij zo’n systeem, waarbij vrijwel alles in de openbaarheid plaatsvindt, is onvermijdelijk sprake van rumoer en populisme. Men moet immers de kiezer achter zich krijgen en dat lukt niet alleen met het schrijven van ingewikkelde beschouwingen. Het is niet zo dat men een politieke carriere kan maken via benoemingen of gekonkel bij het politbureau. Men dient geheel zelfstandig en in alle openheid de gunst van kiezer verwerven. Die beslist immers hoe de kandidatenlijst eruit ziet, en die beslist welke individuele kandidaat hem zal vertegenwoordigen. Campagnelawaai is daarbij onvermijdelijk. Democratie is in de U.S. volkssoevereiniteit. In Europa hanteren alleen de Zwitsers dit principe. De rest doet het veelal via politieke partijen en vooral door benoemingen. Dat is een ander systeem, waarbij men vooral wordt geregeerd en bestuurd door een elite die zichzelf heeft benoemd. Dan is er ook veel minder sprake van polarisatie, vooral wanneer men ook nog eens coalities moet vormen. Polarisatie en populisme zijn vrijwel overbodig wanneer men in eerste instantie politieke carriere maakt via de achterkamertjes van een politieke partij. Voor zo’n Google-debat hoef je geen Nederlandse kandidaten voor ministersposten uit te nodigen. Niemand weet immers wie dat zijn. Alleen het politbureau weet dat. De koningin benoemt de ministers en de Nederlandse grondwet sluit elke bemoeienis van het parlement bij de benoeming van individuele ministers uit. Voor ‘Amerikaanse toestanden’ hoef je in zo’n geval dan ook niet bang te zijn.

  2. Nog even over de militair Hill: Toen de Google-video met de vraag van Hill in de zaal werd vertoond, werd door enkele personen gejoeld. De onwetende commentator van The Guardian maakte hieruit op dat werd gedaan omdat Hill homoseksueel zou zijn. Ik weet niet of dat waar is. Het gejoel zou ook kunnen worden veroorzaakt door het feit dat Hill niet de waarheid sprak. Hill beweerde dat hij alleen militair had kunnen worden door te liegen over zijn seksuele geaardheid. Daar klopt niets van. GOProud, de homoseksuelenbeweging in de Republikeinse partij, zag dat ook over het hoofd. Zo’n vraag naar de seksuele geaardheid van Hill mocht niet worden gesteld, en als die wel werd gesteld dient hij naar de rechter te gaan. Het principe van het beleid van ‘Don’t ask, don’t tell’ dat onder President Clinton tot stand kwam, is immers dat vragen en opmerkingen over seksuele geaardheid taboe waren. Voor seks was geen plaats in het leger, en onder het oude beleid lieten militairen het wel uit hun hoofd kandidaat-recruten te vragen naar hun seksuele geaardheid. Dat zou immers rechtszaken kunnen opleveren. Overigens geen kwaad woord over Hill, die zijn leven waagde in Irak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s